By AWeb Design

Schematische weergave van de stadsmuur, aansluitend aan de Kruittoren
In de zomer van 2006 vond er een tweetal archeologische projecten plaats rond het Stationsplein. De eerste kleine opgraving vond plaats ten zuidwesten van de Kruittoren, het tweede project was de archeologische begeleiding van de rioolwerkzaamheden op het Stationsplein, waarbij ook een extra archeologische werkput werd aangelegd naast de rioolsleuf. Het eerste project was er specifiek op gericht om de dimensies van de muur vast te leggen, zoals de onderlinge afstand van de steunberen, dikte van de muur etc., dit om bij de herinrichting van het plein de muur weer te kunnen geven in de bestrating. Behalve dat de dimensies precies werden vastgesteld (afb. 1), bleek al gauw dat er meerdere fasen in de muur aanwezig waren die nieuwe inzichten gaven in de gebruiksperiode van de muur, en bovendien bood de omliggende grond een blik op de geschiedenis van dit stuk Nieuwstad van vóór de uur. Het tweede project was gericht op het doen van waarnemingen aan alles waar het riool door heen zou gaan: de stadsmuur, een muurtoren, het voormalige Binnen Gasthuis en het voormalige Isendoornklooster. De gegevens van beide onderzoeken zijn gebundeld in een rapport in de reeks Zutphense Archeologische Publicaties. Het stratenplan van de westelijke deel van de Nieuwstad wijkt af van het oostelijke deel. Het eerste stadsdeel heeft uitwaaierende straten die ontspringen vanuit de Turfstraat, waar zich in de middeleeuwen de Engepoort bevond - het laatste stadsdeel heeft een geordende schaakbordstructuur. Het oostelijke deel is rond 1250 gesticht door graaf Otto II van Gelre en zutphen, terwijl het westelijke deel al vóór die stichting bestaan lijkt te hebben. De opgravingen va 2006 hebben voor deze theorie nieuwe aanwijzingen opgeleverd. De stadsmuur is namelijk ingegraven door een duidelijke bewoningshorizont uit de vroege 13e en mogelijk 12e eeuw. Uit deze lemige laag - die boven op de oude akkerlaag ligt- as bovendien een zeer fors paalspoor ingegraven. Opvallend is dat de laag bijzonder rijk was aan slachtafval en grote brokken bewust gebrande houtskool en zelfs steenkool. Daarnaast zijn er grote hoeveelheden ijzerslakken aangetroffen. Kuilen gevuld met ijzerslakken zijn aangetroffen bij de Kruittoren op het Stationsplein en in 2001 bij de opgraving Lokenstraat. Bij dit project werden bovendien vrij grote hoeveelheden breeuwsintels gevonden, die gebruikt werden bij scheepsbouw. Aan de oostzijde van de Nieuwstad zijn dit soort sporen nooit gevonden. Het beeld dat uit deze gegevens ontstaat is dat het westelijke deel van de Nieuwstad – dat in de 13e-eeuw op de flank van de zandrug langs de IJssel lag – een soort industriële zone was waar ruw ijzer dat elders werd gewonnen uit moerasijzererts werd uitgesmeed en vervolgens werd verwerkt tot onder meer breeuwsintels. IJzerverwerking is alleen mogelijk et houtskool of steenkool: met brandhout is het niet mogelijk de benodigde temperatuur te erkrijgen. Het produceren van breeuwsintels – ijzeren krammen die nodig zijn om scheepsnaden te dichten -heeft alleen zin als er ook schepen werden gebouwd, en het is dus waarschijnlijk dat zich op deze locatie, stroomafwaarts van zutphen, een scheepswerf bevond. Het bleef niet bij deze industrie. Rond 1250 liet Otto II de Berkel verleggen om een nieuw te ouwen watermolencomplex van energie te voorzien. Deze nieuwe Berkeltak werd de Molenbeek. Al deze werkgelegenheid maakte van zutphen een aantrekkelijke vestigingsplaats, en dus werd de stad uitgebreid. In de tweede helft van de 13e eeuw werd “De Nieuwstad” angelegd, zodat al deze nieuwe inwoners er konden wonen. Vóór 1272 was de parochiekerk van de Nieuwstad, de Onze Lieve Vrouwekerk (thans St. Jan), reeds gebouwd. In 1312 werd de Nieuwstad door graaf Reinald I officieel gefuseerd met de vrije stad zutphen.
De Nieuwstad moest natuurlijk ook verdedigbaar zijn. De vraag is: gebeurde dit in één keer, n o ja hoe en wanneer? Bij de laatste opgravingen zijn enkele theorieën hierover die de laatste aren waren ontstaan, nog eens tegen het licht gehouden. Om de stadsmuur diep te funderen moest eerst een sleuf gegraven worden. Deze sleuf is in een archeologisch profiel zeer goed waarneembaar. Hij is dwars door de eerder genoemde vroeg 13e-eeuwse bewoningslaag heen gegraven en ook dwars door een laag bijna schoon zand. Boven het niveau waar de ingraving begint vinden we weer een (dikker) pakket relatief schoon zand. De ingraving bevat natuurlijk een hoop 12e en vroeg 13e-eeuws materiaal (de bewoningslaag is weer teruggeworpen in de funderingssleuf toen de muur klaar was), maar ook wat vroeg 14e-eeuws aardewerk. Dit betekent dat de muur dus tussen 1300 en 1325 gebouwd is. Het jaar 1312 lijkt hiervoor een goede startdatum: de officiële fusie met de stad. Toen mócht er waarschijnlijk formeel zelfs pas en bakstenen muur gebouwd worden. De eerder genoemde zandpakketten vormen echter een aanwijzing dat er meer aan de hand is – ze komen er niet vanzelf. Bovendien moest de in 1250 gestichte Nieuwstad met haar vele inwoners en industrie, die grotendeels de motor van het toenmalige zutphen vormde, maar tevens de Achilleshiel was in het geheel, verdedigd kunnen orden. Dus wat was er vóór de Nieuwstads-stadsmuur van 1312? Net als in het 12e-eeuwse zutphen waarschijnlijk een aarden omwalling (met palissade) en een gracht! 
Alleen werd deze omwalling gefaseerd opgeruimd met de bouw van de muur. Gefaseerd, want de wal eerst afgraven en daarna een muur bouwen was vanuit strategisch oogpunt natuurlijk niet slim (dit proces duurt vele jaren en de stad ligt dan open voor de vijand). Eerst werden in het binnentalud van de zandwal gaten gegraven om poeren in te metselen. Het zand werd uiteraard niet in de gracht over de wal gegooid, maar belandde aan de stadszijde. Dit is de onderste zandlaag in het profiel.
De poeren werden aan de bovenzijde met elkaar verbonden door middel van pitsbogen, waarna er een weergang op werd gemetseld. Daarna werden stukken wal afgegraven, waarbij het vrijgekomen zand door de bogen heen werd afgevoerd. Dit is de tweede, veel dikkere zandlaag. Waar de wal werd afgegraven, werd de eigenlijke muur gebouwd, ingekast in de bogen.
Reconstructie van de stadsmuur en de Schullentoren. zutphen-Momentaal 9 1820 18201820 1820 1825 18251825 1830 18301830 1835 18351835 1840 18401840 1845 18451845 1850 18501850 1855 18551855 1860 18601860 1865 18651865 1870 18701870 875 18751875 1880 18801880 1885 18851885 1890 18901890 1895 18951895 1900 19001900 1905 19051905 1910 19101910 .
Detail van de 17e-eeuwse schil op de hoek van de Schullentoren met de stadsmuur.
Deze 70 cm dikke muur werd op regelmatige afstand voorzien van muurtorens. Op de hoeken waren die vierkant: de Kruittoren in het westen en de Blanckentoren in het oosten. Langs de muur waren ze halfrond. Dergelijke halfronde uurtorens zijn nog te zien aan de Armenhage en de Bornhovestraat. Onder het Stationsplein werd ook een dergelijke toren opgegraven (afb.2), zij het zwaar beschadigd door de renovatie van het Gasthuis kort na 1850 en vervolgens de diepsloop voor het riool rond 1950. De contouren ervan lieten zich echter nog wel reconstrueren afb. 3)
Van deze toren is bovendien een 15e-eeuwse naam overgeleverd: de “Schullentoern”. aangezien die naam ook in het Middelnederlands niets zinnigs betekent, is hij waarschijnlijk vernoemd naar meneer of mevrouw Schulle die naast de toren woonde (vgl. Drogenapstoren”, genoemd naar stadsmuzikant Thonis Drogenap, die er in woonde). Daarnaast werd er al in de 4e eeuw aan de veldzijde van de gracht een aarden wal met een bakstenen keermuur gebouwd. Deze werd in 2005 al aangetroffen in de bouwput van de fietsenkelder bij het station. De wal s ook te zien op de kaart van Jacob van Deventer uit ca, 1565 en loopt om de gehele stad. De functie ervan lijkt tweeledig. Hij zorgde voor genoeg waterstuwing voor de aandrijving van de molencomplexen, maar had ook zeker een defensieve functie. In wezen is het de eerste aanzet tot e bouw van vestingwerken als antwoord op de introductie van het kanon in de late 14e eeuw. Er moest een flinke verdedigingszone komen tussen kanon en stad zodat de stad zelf buiten het schootsveld kwam te liggen. De kanonnen werden echter steeds beter en de vestingwerken dus noodgedwongen ook. In de 16e eeuw worden er rondelen en bastions toegevoegd aan de verdedigingslinie. Daarbij werd in deze tijd aan de stadsmuur gesleuteld. Bij de muur is een 6e-euwse “inboeting” vastgesteld: een face lift van de muur. En hier bleef het niet bij. Ook bij de grootschalige verbeteringen aan de vesting in het begin van de 17e eeuw door Adriaan Anthoniszoon en zijn zoon Dirk Adriaanszoon Schelven werd de oude stadsmuur in de plannen meegenomen: ook in deze tijd werd de muur van een nieuwe schil uit kleine baksteentjes oorzien. (afb. 4-5)
Dit laatste is een nieuw gegeven, er werd tot nu toe altijd van uit gegaan at e muur als archaïsch element hoogstens bleef bestaan omdat men te lui was om hem af te reken. Een argument hiervoor was onder meer de 15e-eeuwse vermelding van het maken van aten in de muur door wasvrouwen om makkelijker bij de gracht te komen, hetgeen werd toegestaan door het stadsbestuur. Er wordt echter niet vermeld waar dit gebeurde. Aangezien e stadsmuur aan de zijde van de Nieuwstad en de Spittaalstad in wezen overbodig waren omdat beide stadsdelen in de 14e eeuw van een muur voorzien werden, kon men in de 15e eeuw naar hartenlust gaten hakken in de muur bij bijvoorbeeld de Molengracht zonder dat dit enig effect ad p de verdediging. Overigens is de muur op onder meer de kaart van Blaeu uit 1649 nog in optima forma aanwezig.
Na deze tijd kwijnt de muur inderdaad weg. In de late 17e en 18e eeuw krijgt de Olypoort al de functie van “Gekkentoren” van het Oude en Nieuwe Gasthuis en in de 19e eeuw wordt de muur echt grotendeels gesloopt. In het onderzochte deel krijgt de stadsmuur een ondergeschikte functie als fundament voor de strakke gevel van et Oude en Nieuwe Gasthuis uit 1858. Deze is onder meer teruggevonden als dichtzetting van de deel in de Schullentoren, waar het middeleeuwse fundament immers even onderbroken werd. Hiermee werd de keel van het middeleeuwse verdedigingswerk definitief afgesneden.
2 H.A.C. Fermin 2002: Via de Kromme Elleboogsteeg naar de Lokenstraat. archeologisch onderzoek naar de historie van een huisperceel in de Nieuwstad. Nieuwsbrief Monumentenzorg 5 (zutphen), 7-11
. . 16e- en 7e-eeuwse schil aan de veldzijde van de stadsmuur bij de Kruittoren, gescheiden door een leisteenlaagje.
.jpg)