De stedelijke munt van Zutphen1
De stad Zutphen behoorde tot het graafschap Zutphen
waaronder ook Anholt en Bronckhorst vielen. Zutphen
wordt voor het eerst met die naam genoemd in 1050 en
ontvangt stadsrechten in 1190. Waarschijnlijk heeft de
vroegste 12e eeuwse Gelderse muntslag van Hendrik I en
Otto I in Zutphen plaatsgevonden. In Zutphen staat een
14e eeuws huis dat de naam Ade munt@ draagt.
Waarschijnlijk dankt dit huis zijn naam aan de muntslag
van muntmeester Nicolaes Nyber. Deze heeft daar in de
periode 1478-1480 de vroegste stedelijke muntjes
geslagen in de vorm van witpenningen of albussen. Dit
waren zilveren muntjes met een waarde van 3 oorden.
Waarschijnlijk zijn er ook begin 16e eeuw zgn. muterkens
(c Brabantse stuiver) geslagen op naam van Karel van
Egmond, echter zij zijn niet als munten van Zutphen
herkenbaar.
Tijdens de opstand tegen Spanje verklaarde de stad zich
al in 1572 vóór Willem van Oranje. Dit werd hen door de
Spanjaarden niet in dank afgenomen want toen de stad in
november 1572 door de Spanjaarden werd ingenomen werd de
burgerij door plundering, massamoord en brandstichting
vreselijk gestraft voor hun verzet. Zutphen werd later
echter weer heroverd door de Staatse legers en het
gebied van het graafschap Zutphen trad op 11 januari
1580 toe tot de Unie van Utrecht. Door voortdurende
troepenbewegingen van zowel Spaanse als Staatse legers
waren hele gebieden in de republiek vaak langdurig
buiten de directe invloed van het centrale gezag. Mede
hierdoor en vanwege de vaak zwakke leiding van de
Staten-Generaal staken weer een groot aantal (illegale)
munthuizen de kop op. Te Zutphen werd in 1582 ook weer
een munthuis geopend maar nu als tweede munt voor
Gelderland. De aangestelde muntmeester was Hendrik
Wijntgens. Dit munthuis was gevestigd in het oude
convent op de hoek Komsteeg en de Oude Wand. In het
munthuis is echter ook slecht kleingeld geslagen op naam
van de stad. Dit waren kwart snaphanen (peerdekens) ter
waarde van 12 Hollandse stuiver, drie plakken (d
stuiver) en halve plakken. In 1583 werd de stad echter
al door de Spanjaarden heroverd en de munt werd
gesloten.
In 1591 werd de stad weer ingenomen door de Staatse
troepen van Prins Maurits waarna pas in 1604 werd
besloten om voor de derde maal de munt te heropenen.
Muntmeester was wederom Hendrik Wijntgens maar hij
werkte er op naam van zijn minderjarige zoon Evert
Wijntgens. In deze periode werden er snaphaanschellingen,
peerdekens, halve roosschellingen, dubbele stuivers,
stuivers, halve stuivers, duiten en schüsselpfennigen
geslagen. In 1606 werd echter door de gewestelijke
overheden besloten dat de steden geen munten meer zouden
slaan. In de plaats van de inkomsten uit de munt konden
ze in ruil daarvoor een jaarlijkse compensatie krijgen
van 2000 gulden. Dit geld moest wel besteed worden aan
het onderhoud van de vestingwerken. Op deze voorwaarde
werd ook de Zutphense munt gesloten.
In de vierde muntperiode van 1687-1692 zijn verreweg de
meeste munten geslagen. Net als Deventer en Nijmegen
leek het ook Zutphen wel winstgevender om weer munten te
gaan slaan in plaats van de jaarlijkse compensatie van
2000 gulden te ontvangen. Het munthuis werd ingericht in
een huis op de Niewstad bij het gasthuis. Herman van
Baijen werd als muntmeester aangenomen en Johan Sluyter
als stempelsnijder. Geslagen werden in deze periode:
leeuwendaalders, daalders van 30 stuiver, florijnen van
28 stuiver, drieguldenstukken, guldens,
tienstuiverstukken, ruiterschellingen en koperen duiten.
In 1692 werd het munthuis na onderhandeling echter toch
weer gesloten en ditmaal voorgoed. In ruil hiervoor
kreeg de stad wederom een compensatie maar ditmaal van
4000 gulden per jaar. Pas op 26 februari 1809 werd bij
besluit nr.12 van koning Lodewijk Napoleon een einde
gemaakt aan deze jaarlijkse compensatie.
Wapen van Zutphen
Op de duiten zonder jaar (ca. 1604-1605) komt als wapen
een staande Gelderse leeuw voor die soms wel en soms
geen kroontje draagt. In de periode 1687-1692 wordt er
een gekroond en horizontaal gedeeld wapenschild
afgebeeld met in het bovenste kwartier een Gelderse
leeuw en het onderste een ankerkruis. Dit wapenschild
wordt vastgehouden door 2 leeuwen.
MUNTMEESTERS: VAN
- TOT:
Nicolaes Nijber 1478 - 1480
Herman van Nassau 1499
Hendrik Wijntgens (stedelijke & Gelderse munt) 1582 -
1583
Hendrik Wijntgens (op naam van zoon Evert) 1604 - 1605
Herman van Baijen 1686 - 1692
In 1604-1605 is het ankerkruis als munt(meester)teken
gebruikt op de duiten door Hendrik (Evert) Wijntgens.
Zie voor meer informatie over Hendrik Wijntgens bij
Gelderland, het 2e Gelderse munthuis te Zutphen. De
laatste muntmeester, Herman van Baijen, is ook
burgemeester van Zutphen geweest. Hij gebruikte in zijn
periode als muntmeester het muntmeesterteken
hertengewei2. Op de koperen duiten komt dit teken niet
voor. Dit hertengewei kan mogelijk stammen uit het wapen
van het geslacht von Mirbach uit het Baijental bij
Keulen. Herman was de zoon van Jan van Baijen en
Margaretha van Hisvelt. Hij was getrouwd met Gesina
Steenman.
STEMPELSNIJDERS: VAN - TOT:
Gijsbert Kloss (stedelijke & Gelderse munt) 1582 - 1583
Johan Sluyter 1686 - 1691
Over stempelsnijder Johan Sluyter staat een interessant
artikel in het blad "de beeldenaar"3. Deze
stempelsnijder heeft veel vergissingen en foute stempels
gemaakt waar in dit artikel op in wordt gegaan.
Mogelijke oorzaak van de fouten kan een ziekte zijn
geweest of gewoon desinteresse in zijn vak als
stempelsnijder. Misschien was de man al hoog bejaard
zoals sommige muntmeesters en kon hij gewoon niet meer
beter.
ESSAYEURS: VAN - TOT:
Broeder Gadert van Gulik 1499
Jeliss Mess (stedelijke & Gelderse munt) 1582 - 1583
Roelof Hoetink 1604 - 1605
Nicolaes Leussink 1686 - 1692
WAARDIJNS: VAN - TOT:
Arnt Berck & Conrait Schimmelpenninck 1478 - 1480
Thomas Esselingh (stedelijke & Gelderse munt) 1582 -
1583
Muntslag op naam van
de stad tijdens de periode 1582-1583
Op 13 maart 1582 verklaarden stadhouder, kanselier en
raden van Gelderland dat zij als opvolgers van de
Gelderse hertogen en van koning Philips II de
eigenaar/beheerder van het muntrecht waren4. Niet alleen
van het muntrecht in het hertogdom Gelre maar ook in het
graafschap Zutphen. Daar kwam nog bij dat het gebied
rond de stad Nijmegen (waar de Gelderse munt was
gesitueerd) omstreeks 1582/83 steeds meer in de greep
van de Spanjaarden geraakte. Hierdoor durfden de
kooplieden hun muntmetaal niet meer naar de munt te
brengen. Vanwege deze twee argumenten werd er een 2e
Gelders munthuis te Zutphen ingericht (1582-1583)
ondanks een negatief advies van de generaals der munt.
Deze vonden dat Zutphen te dicht bij Nijmegen lag
waardoor de kooplieden bij dit extra munthuis geen baat
zouden hebben. Het munthuis is er toch gekomen met als
muntmeester Hendrik Wijntgens. De munt werd hem op 31
juli 1582 voor 8 jaar verpacht. Als onderkomen voor de
munt kreeg hij het Oude Convent aangewezen op de hoek
van de Komsteeg en de Oude Wand. Hier heeft hij voor
Gelderland gouden rijders, snaphaanschellingen en halve
snaphaan/gehelmde schellingen geslagen. Ook op naam van
de stad Zutphen zelf zijn er in deze periode munten
geslagen. In het munthuis is echter ook slecht kleingeld
geslagen op naam van de stad. Dit waren peerdekens ter
waarde van 1 ½ Hollandse stuiver, drie plakken en halve
plakken. De inname van de stad door de Spanjaarden in
september 1583 maakte aan het bestaan van dit munthuis
echter een vroeg einde.
De muntperiode
1604-1605
In september 1586 werd een poging gedaan om de stad
Zutphen te heroveren op de Spanjaarden. Yorke, de
onderbevelhebber van Leicester, moest echter op 29
januari 1587 de schans voor de stad ontruimen en prijs
geven aan de Spaanse bevelhebber Baptiste de Taxis. Deze
Spaanse bevelhebber heeft tijdens het beleg van de stad
een tinnen noodmunt laten slaan. Pas in 1591 werd de
stad ingenomen door de Staatse troepen van Prins Maurits.
Het munthuis werd pas weer heropend in 1604. Formeel
werd Evert Wijntgens, de minderjarige zoon van Hendrik
Wijntgens, als muntmeester aangenomen. Het is echter
waarschijnlijker dat Hendrik zelf het muntbedrijf runde
omdat Evert in 1604 nog maar 10 jaar oud was. Deze
constructie was mogelijk zo in elkaar gezet omdat
Hendrik reeds muntmeester was van Overijssel en de stad
Kampen. Op 12 juni 1604 ontving de muntmeester zijn
commissie tegen een betaling van 1600 gulden per jaar
aan sleischat. De muntsoorten die in de commissie werden
voorgeschreven waren een peertgen, oord, duit en
penning. Er werd verder bepaald dat de muntmeester de
peertgens slechts tot een bedrag van 200 gulden in de
stad Zutphen zelf in omloop mocht brengen. De oorden,
duiten en penningen mocht hij echter niet in de stad
zelf in omloop brengen! In werkelijkheid zijn er in deze
muntperiode veel meer munttypes geslagen dan in de
commissie was bepaald. Bekend zijn snaphaanschellingen,
peerdekens, halve roosschellingen, dubbele stuivers,
stuivers, halve stuivers, kwart stuivers, duiten en
schüsselpfennigen.
De muntmeester had veel problemen om de geslagen munten
kwijt te raken. Zelfs de stadsraad had liever niet dat
de munten binnen Zutphen in omloop zouden komen. Een
zending naar Amsterdam van 1424 gulden aan Kamper
schellingen en 400 gulden aan Zutphense stuivers werd
aldaar in beslag genomen als ongewenste munt. Ondanks
bemiddeling van de stadsraad werden de in beslag genomen
Zutphense stuivers niet terug gegeven en zijn
waarschijnlijk omgesmolten. Vanwege de afzetproblemen
werd de sleischat in 1605 verlaagd naar 1000 gulden per
jaar. Deze sleischat werd door de stadsraad gebruikt om
de vestingwerken en de bruggen van Zutphen te
onderhouden. Inmiddels probeerden de Staten-Generaal om
de muntomloop te saneren. Zij zagen liever dat de
diverse stedelijke munthuizen hun werkzaamheden zouden
staken omdat daar voornamelijk slecht zilvergeld werd
aangemaakt. In oktober 1605 verzochten zij de stad
Zutphen om de muntslag te staken en om een bewijs te
overleggen van haar muntrecht. Na enig tegenstribbelen
is het muntwerk inderdaad stilgelegd maar een bewijs van
muntrecht is nooit overlegd. Toch kwam de stad op 20
februari 1606 in aanmerking voor de regeling die ook met
de andere steden werd overeengekomen. Samen met de
steden Groningen, Deventer, Kampen, Zwolle en Nijmegen
kreeg ook Zutphen een jaarlijks bedrag van 2000 gulden
als compensatie voor de sluiting van het munthuis. Dit
geld werd door de Staten-Generaal afgeboekt als kosten
van oorlog en moest door de steden besteed worden aan
het onderhoud van de vestingwerken. Op 14 april 1606
werden de muntstempels in het stedelijk munthuis van
Zutphen vernietigd onder toezicht van Generaalmeester
Fonck.
ZUT.12: (zilver)
schüsselpfennig.(JMP.5)
HOLLE VOORZIJDE: Het wapen van Zutphen binnen een rand
van bolletjes. Boven het wapen de letters ZVT van
Zutphen.
BOLLE KEERZIJDE: Glad, zonder tekst of afbeelding.

Evert (Hendrik) Wijntgens.
ZJ
Info:5
ZJ JMP 1980 blz.229
Voorschrift: mogelijk de commissie van 12 juni 1604. Uit
een mark mogelijk 152 stuks is ca. 1,62 gram per stuk.
De stadsraad bepaalde verder dat de muntmeester de
penningen niet in de stad Zutphen zelf in omloop mocht
brengen maar ze moest uitvoeren naar elders.
In de instructie voor de muntmeester werden ook oortjes
en duiten voorgeschreven. Het voorschrift bepaalde dat
er 38 oortjes van ca. 6,48 gram uit een mark moesten
komen. De andere munten moesten naar verhouding worden
geslagen. Het oortje is nooit geslagen, de penning
waarover wordt gesproken is mogelijk deze
schüsselpfennig van het type ZUT.12. Deze muntjes
rouleerden in Duitsland op grote schaal. De naam was "schüsselpfennige",
in het Nederlands "schotelpenninkjes". Dit zijn
éénzijdig geslagen zilveren muntjes waarvan de
beeldenaarzijde hol is en de bolle keerzijde is glad
(niet te verwarren met de bracteaten). De waarde van het
muntje was 1 pfennig en werd in de Nederlandse
munthuizen silveren doyt genoemd (o.a. Deventer). Vooral
de oost-Nederlandse munthuizen hebben deze muntjes
nagebootst en ze uitgevoerd naar Duitsland (zelden komen
ze in Nederland voor). De periode waarin dit geschiede
wordt gesteld op 1590-1606. Dit muntje van Zutphen moet
dan zijn geslagen in de muntperiode 1604-1605.
ZUT.13: (koper)
duit.(V.27.4/5 - BvB 15 - Purmer 1901/1902)
VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst ZVTP HANIEN
SIS in drie regels, dit betekent: Zutphen.
KEERZIJDE: Een klimmende leeuw naar links binnen een
cirkel en de tekst: MON NOVA VET VRBIS (of variant). Dit
is voluit: moneta nova vetera urbis, en betekent: nieuwe
munt van de oude stad.

Evert (Hendrik)
Wijntgens.
ZJ
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A: . . / ZVTP / HANIEN / .SIS. / .
B: . / ZVTP / HANIEN / .SIS. / .
KZ: a: .:. MON. NOVA a VET. VRBIS
b: .:. MON. NOVA a VET. VRB. ZVT
c: .:. MONE. NOVA a VET. VRBIS
d: +MON+ NOVA VET+ VRBIS
e: MON+ NOVA+ VE.T+. VRBIS
f: MON+ NOVA + VET+ .VRBIS
I : De klimmende leeuw heeft een kroontje op.
II: De klimmende leeuw heeft geen kroontje op.
Info:
Variant BdI (ZJ), particuliere collectie.
ZJ KPK(7) HNM(2) DNB(3) AHM
Voorschrift: commissie van 12 juni 1604. Uit een mark 76
stuks is ca. 3,24 gram per stuk. De stadsraad bepaalde
verder dat de muntmeester de duiten niet in de stad
Zutphen zelf in omloop mocht brengen maar ze moest
uitvoeren naar elders.
In de instructie voor de muntmeester werden ook oortjes
en penningen voorgeschreven. Het voorschrift bepaalde
dat er 38 oortjes van ca. 6,48 gram uit een mark moesten
komen. De andere munten moesten naar verhouding worden
geslagen. Het oortje is nooit geslagen, de penning
waarover wordt gesproken is mogelijk de schüsselpfennig
van het type ZUT.12.
De laatste
muntperiode 1686-1692
In het begin van de 80er jaren van de 17e eeuw waren de
verschillende provincies met moeizame besprekingen bezig
over de sanering van de muntomloop. De besprekingen over
de invoer van nieuwe Statenmunten, gebaseerd op de
gulden, verliepen zeer moeizaam. In 1681 verschenen in
Holland Statenguldens en Statendrieguldens met als
beeldenaar een staande Minerva, later wel Hollandse
maagd genoemd. De nieuwe muntstukken stuiten echter op
problemen. De wisselbank te Amsterdam wilde ze niet
bestellen en door grote handelaren werden zij geweigerd.
Vanwege deze problemen weigerden de andere provincies om
ook deze Statenmunten te slaan, eerst zou er een goede
regeling moeten komen. Als maatregel werden toen de
nieuwe Statenmunten per publicatie gangbaar verklaard,
enkele slechte muntsoorten werden voor biljoen verklaard
(verboden) en men beloofde om wat aan de zilverhandel en
de zilverprijs te gaan doen.
Na de beloftes om de zilverprijs en handel aan te pakken
hebben enkele provincies begin jaren 80 de Statenmunten
geslagen, echter op beperkte schaal. Het grootste
struikelblok voor een verdere aanmunting en voor een
normale muntslag bleef de prijs van het zilver. Het
zilver bleef duur en werd maar steeds duurder. Bij de
wisselbank speelden zich onfrisse praktijken af tussen
muntmeesters en zilverhandelaren. Sommige muntmeesters
konden nog zilver kopen maar het bedrag dat zij daarvoor
moesten betalen maakte het nagenoeg onmogelijk om goede
muntsoorten van te slaan. Andere muntmeesters konden
vanwege de hoge prijzen helemaal niet aan voldoende
zilver komen om de munt aan het werk te houden. Door de
mislukte invoering van de Statenmunten en de hoge prijs
van het zilver vervielen steeds meer munthuizen in het
aanmunten van slechte muntstukken. Overal werden volop
allerlei daalders, florijnen, schellingen en
stuiverstukken geslagen. Deze ongewenste muntsoorten
waren doorgaans ook nog van slecht gehalte en gewicht
waardoor zij lang niet het bedrag waard waren waarvoor
zij werden uitgegeven.
Eind 1686 / begin 1687 begon Holland samen met enkele
andere provincies een hardere aanpak tegen provincies en
steden die minderwaardige munten sloegen en bleven
slaan. Vooral Zeeland weigerde zich neer te leggen bij
een algemene regeling en ging ongestoord verder met het
aanmunten van daalders en dubbele daalders. Holland,
Utrecht, Gelderland en Overijssel besloten toen
eenzijdig om de Statenmunten te aanvaarden en om de
Zeeuwse munten te verbieden. Ook mocht er geen zilver
meer worden uitgevoerd richting Zeeland. Als gevolg van
deze aanpak ontstond er een korte opleving met als
gevolg dat de stad Zutphen haar munthuis heropende om
mee te kunnen profiteren. Als muntmeester werd Herman
van Bayen aangetrokken die de munt pachtte voor 1000
dukatons (3150 gulden). Hij begon direct met het
aanmunten van Statendrieguldens, guldens en 10
stuiverstukken. Het zilver werd echter door de grote
vraag steeds duurder waardoor het stadsbestuur de
muntmeester toestemming gaf om koperen duiten te gaan
slaan. Op deze wijze kon het munthuis aan de gang
gehouden worden.
ZUT.17: (koper) duit.(V.27.6
- BvB.25/25A/25B/25Bbis - Purmer 1903)
VOORZIJDE: Een vierbogige versiering (vierpas) met
daarin de tekst CIV ZVTPHA NIA (of variant) in drie
regels. Dit is voluit: civitas Zutphania, en betekent:
stad Zutphen.
KEERZIJDE: Gekroond stadswapen, vastgehouden door twee
leeuwen. De laatste twee cijfers van het jaartal staan
tussen de kroon boven het wapen of onder het
wapenschild.
Herman van Baijen, mmt: gewei, niet afgebeeld op de
duiten). Vermelding van duiten in zijn 1e en enigste
muntbus (1686-1692). Voorschrift: 112 in de snede = ca.
2.197 gram. Geslagen ca. 27808 stuks.
ZJ R3
(16)87 N
(16)87/78 R3
Bekende afslagen etc.
(16)87 (zilver) R4
(16)87 (goud) U
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A: CIV / ZVTPHA / NIA
B: CIV. / ZVTPHA / NIA
C: CIV. / ZVT.PHA / NIA
D: CIV / ZVT.PHA / NIA.
E: CIV. / ZVTPHA / NIA.
KZ: a: Verkort jaartal boven de kroon.
b: Verkort jaartal onder het wapenschild.
c: Zonder jaartal.
I : De leeuwen hebben geen uitstekende tong.
II: De leeuwen hebben een duidelijk zichtbare
uitstekende tong.
Info:
Variant AcI (ZJ), particuliere collectie.
Variant AaI (1687), particuliere collectie.
Variant AaII (1687), particuliere collectie.
Variant CaI (1687), particuliere collectie.
ZJ (overgeslagen op duit Overijssel) DNB
(16)87 (keerzijde variant a) KPK(3) HNM TMH DNB AHM
(16)87 (keerzijde variant b) SMZ
(16)87/78 MCN
(16)87 (zilver 1,7 gram) KPK HNM SMZ AHM
(16)87 (zilver 5,5 gram keerzijde variant b) KPK
(16)87 (goud 3,5 gram keerzijde variant b) SMZ
Voorschrift: consent van het stadsbestuur van Zutphen
van 20 en 30 juli 1687. Uit een mark 112 stuks is ca.
2,197 gram per stuk6. De remedie bedroeg 4 stuks.
Deze duiten komen voor in de 1e muntbus opening van
muntmeester Herman van Baijen over de periode 1686-1692
en in het muntboek van Zutphen over de jaren 1686-1692.
Het nawegen van 5 exemplaren leverde twee maal een
keurig gewicht op van 2,10 en 2,20 gram, dit is een
beter gewicht dan van sommige provincie duiten. Drie
andere exemplaren wogen echter slechts 1,60 - 1,70 en
1,85 gram. De berekende oplage door Mr. L.W.A. Besier7.
van dit type is 63056 stuks. In het muntboek van Zutphen
is echter sprake van 2 partijen duiten. De eerste partij
van 126 mark kwam gereed op 22 augustus 1687 en de
tweede partij van 100 mark op 26 januari 1688. Dit
aantal marken geeft een oplage van slechts ca. 27808
stuks. Het grote aantal nog overgebleven exemplaren doet
vermoeden dat er veel meer zijn geslagen dan is vermeld.
Hoe Besier aan een oplage van ruim 63000 kwam is mij
niet bekend. Deze duit lijkt zeer sterk op de duiten van
Utrecht uit deze periode. Door deze gelijkenis zullen
deze duiten gemakkelijker in het geldverkeer zijn
aangenomen. De stempels voor deze duit zijn gesneden
door Johan Sluyter.
Noten:
1: Veel informatie is terug te vinden bij E.J.A. van
Beek / J. Fortuyn Droogleever Geslagen te Zutphen
De Walburg pers, Zutphen 1990.
2: H.J. van der Wiel De muntmeestertekens tijdens de
Republiek
Verschenen in "de Geuzenpenning" no.1 januari 1974.
3: J.C. van der Wis De vergissingen van een
stempelsnijder
Verschenen in "de Beeldenaar" november/december 1995,
19e jaargang Nr.6.
4: W.J. de Voogt Geschiedenis van het muntwezen de
verenigde Nederlanden 1576-1813
Deel I: Gelderland, Amsterdam 1874.
5: Dr. H.E. van Gelder Een miskende Nederlandse
muntsoort
Verschenen in het jaarboek van de vereniging voor munt
en penningkunde (JMP) 1980 blz. 229-230.
6: Dr. H. Enno van Gelder vermeld in De munthervorming
tijdens de Republiek 1659 - 1694
dat er 104 stuks uit een mark geslagen werden met een
remedie van 4 stuks.
7: Mr. L.W.A. Besier De muntmeesters en hun muntslag
1574-1813
Reprint Rotterdam 1972.
De bovenstaande tekst is afkomstig van de site
www.duiten.info en is met toestemming van de heer
Pannekeet gebruikt.
|