Zutphen
ontstond in de Romeinse tijd als Germaanse nederzetting
op een rivierduinencomplex. De plaats is al meer dan
1700 jaar continu bewoond en is een van de oudste steden
van Nederland. De naam Zutphen is ontstaan uit Zuid
venne, een rivierduinencomplex tussen drassige
weidegrond. De nederzetting bleef in de vroege
Middeleeuwen op het huidige 's-Gravenhof bestaan in
tegenstelling tot veel andere woonplaatsen in de
Volksverhuizingentijd. Na de incorporatie van de
IJsselstreek bij het Frankische rijk rond 800 werd
Zutphen een grafelijk bestuurlijk centrum.
In de late 9e eeuw werd Zutphen verwoest bij
vikingaanvallen, waarna aan het einde van die eeuw een
ronde ringwal werd opgericht met twee grachten eromheen:
een 20 meter brede U-vormige gracht en een spitse smalle
gracht erbuiten. De loop van de markten Groenmarkt,
Houtmarkt en Zaadmarkt zijn nog een deel van die
voormalige ringwal en gracht. In het midden van de 11e
eeuw werd Zutphen enige tijd een vorstelijke residentie
en werd er een palts gebouwd en een grote kapittelkerk
gesticht, de huidige Sint Walburgiskerk. Sinds 1046 was
de bisschop van Utrecht landheer van het Zutphense
graafschap en de burg. In de loop van de late 11e eeuw
en de vroege 12e eeuw wisten de graven van Zutphen
steeds meer macht naar zich toe te trekken.
De naam Zutphen wordt voor het eerst vermeld in een
oorkonde uit de jaren (1053 - 1071), waarin de inkomsten
van de abdij: Corvei (aan de Weser) worden opgesomd.
Daartoe behoren onder meer goederen gelegen in Sutphen,
in de gouw: Hamaland. In 1101 wordt voor het eerst een
Graaf van Zutphen genoemd: Otto van Zutphen, die bij
zijn overlijden in 1113 de bijnaam 'de Rijke' had. Zijn
ene zoon Hendrik (I) volgde hem op maar overleed rond
1120 kinderloos. Aangezien de andere zoon, Diederik,
sinds 1118 bisschop van Münster was, ging de opvolging
via Otto's dochter Ermgard vermoedelijk over op haar
echtgenoot Gerard van Gelre, zoon van graaf Gerard II
'de Lange' van Gelre. Gerard junior overleed in 1134,
drie jaar voor zijn vader. In Zutphen volgde toen
Hendrik (II), de zoon van Gerard junior en Ermgard van
Zutphen op, die in 1137, toen zijn grootvader Gerard 'de
Lange' stierf, ook in Gelre opvolgde. Zo raakte het
Graafschap Zutphen voorgoed verbonden met het Graafschap
Gelre, dat in 1339 een hertogdom werd. Die twee-eenheid
trad als soeverein gewest in 1579 toe tot de Unie van
Utrecht, waar de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden ontstond.
Zutphen was de residentie van de graven van Zutphen, zij
hadden er hun verblijfplaats, gebouwd op een hoger
gelegen gebied aan de IJssel. In de 12de eeuw maakten de
graven van Gelre een aanvang met de verlening van
stadsrechten, die uiteindelijk in 1190 door graaf Otto I
van Gelre verleend werd.
Veel Gelderse steden (waaronder Arnhem, Doesburg,
Doetinchem, Harderwijk, Lochem en Hattem, maar niet
Nijmegen, Zevenaar en Huissen) ontlenen hun later
verleende stadsrechten aan de Zutphense stadsrechten. De
stad werd ommuurd in de 13e eeuw en uitgebreid met de in
de 13e eeuw door de graaf gestichte Nieuwstad. Zutphens
gouden eeuw was de 14e eeuw.
Zutphen werd de hoofdstad van de Graafschap Zutphen. De
stad nam onder meer deel aan de Oostzeehandel.
Tijdens de pestepidemie in 1349 werden alle joodse
inwoners van Zutphen, alsmede van de andere steden aan
de IJssel gedood. Men geloofde dat de joden achter de
epidemie zaten; zij zouden het water hebben vergiftigd.
De werkelijke oorzaak dat er onder de joden minder
slachtoffers vielen was dat zij strikte, door hun geloof
voorgeschreven hygiënische regels hanteerden, waaronder
het regelmatig wassen van de handen.
Zutphen (1559-1608)
Zutphen omstreeks 1645
Zutphen heeft gedurende enkele honderden jaren het
stedelijke muntrecht gehad, maar actief gemunt is er
slechts in vier muntperioden: 1478-1480, 1582-1583,
1604-1605 en 1687-1692. In eerdere perioden is ook door
de Zutphense graven te Zutphen gemunt (Otto II de Rijke,
ca. 1070-1090 en Hendrik II, circa 1150-1181, en Otto I
van Gelre (1181-1207), en later door de hertogen van
Gelre (1499) en de provincie (1582-1583).
Tachtigjarige Oorlog
De 16e eeuw bracht moeilijke tijden voor Zutphen door de
opkomst van andere steden en de Tachtigjarige Oorlog met
de Spanjaarden. Na de roerige Gelderse oorlogen in de
eerste decennia van de 16e eeuw werden de vestingwerken
van Zutphen gemoderniseerd. Toch mocht dit niet baten.
Op 17 november 1572 werd de stad door de Spanjaarden
onder Don Frederique, de zoon van de hertog van Alva,
ingenomen nadat graaf Willem van den Berg de stad in
juni van dat jaar had ingenomen. Er volgden jaren van
wisselende bezetting en belegeringen. Het grootste deel
van de bevolking was weggetrokken of vermoord.
In 1586 vind de Slag bij Zutphen plaats, een grote
confrontatie tussen protestantse Nederlandse burgers,
geholpen door Engelse soldaten tegen de katholieke en
Spaanse bezetters. De slag ging aan de Spanjaarden, niet
in de laatste plaats vanwege het belabberde militaire
leiderschap van Dudley, wiens officieren Stanley en York
overigens een dubieuze rol speelden door niet alleen de
Schans voor Zutphen aan de Spanjaarden over te dragen,
maar later ook de stad Deventer.
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
In 1591 werd de stad heroverd, met het noordelijk deel
van het voormalig Hertogdom Gelre door Prins Maurits,
het zuidelijk deel, waaronder Roermond en Venlo
vervielen tot de Zuidelijke Nederlanden. Dit luidde het
begin in van een betrekkelijk lange periode van rust
voor Zutphen als vestingstad en garnizoensstad, totdat
in 1629 een Duits-Spaans leger opnieuw de Veluwe
binnenvielen en moordend rondgingen. In 1672 (Rampjaar)
werd Zutphen veroverd door het Franse leger onder
Lodewijk XIV. De grote kerk werd opnieuw ingericht voor
de katholieke eredienst maar werd na het vertrek van de
Fransen weer teruggegeven aan de protestanten.
Kort na 1700 werd de vesting Zutphen uitgebreid naar
ontwerp van Menno van Coehoorn en uitgebreid met de
linies van Wambuis en van Hoorn aan het eind van die
eeuw. Het werd een nieuwe gordel van lunetten en
hoornwerken die de vijandelijk geschut nog verder van de
stad moest houden. Zutphen was honderden jaren ingeklemd
in haar vestingwerken. De bevolking groeide gestaag van
7500 inwoners in 1795 naar meer dan 15.000 in 1860 op
slechts 40 hectare grond binnen de muren. De ruimtelijke
groei begon weer toen in 1874 de vesting Zutphen werd
opgeheven, en de muren om de stad verwijderd konden
worden. Enkele delen van de vestingwerken zijn nog
zichtbaar, zoals het Bourgonje bolwerk aan de IJsselkade,
ook bekend als 'de Bult van Ketjen'.
Nieuwe tijd
Tegenwoordig zijn in het centrum van Zutphen nog vele
sporen te vinden van deze tijd, zoals bijvoorbeeld van
de ommuring: de Drogenapstoren uit 1444, de
Bourgonjetoren uit 1457 de kruittoren (begin 14e eeuw),
de Spaanse Poort (een barbacane voorpoort van de oude
Nieuwstadspoort uit 1537), diverse waltorens aan de
Bornhovestraat en Armenhage (13e eeuw). Daarnaast zijn
er ook nog grote stukken stadsmuur te vinden, waaronder
een stuk bij de Drogenapstoren, en een stuk bij de
Berkelpoort uit het begin van de 14e eeuw met resten van
twee waltorens. De middeleeuwse binnenstad van Zutphen
herbergt achter de veelal jongere gevels een grote
hoeveelheid bakstenen huizen uit de late Middeleeuwen.
Vele tientallen dateren zelfs tot en met de
kapconstructie van voor 1400. Er zijn drie middeleeuwse
kerken en resten van diverse kloosters en hospitalen.
|

|