Begraafplaatsen

Inleiding

 

'Leven en laten leven', Begrafenis in WOII, burgemeester CC de Jonge bevindt zich onder de aanwezigen.is een gezegde dat veel gebruikt wordt. Echter het enige zekere in ons leven is dat we allemaal eens de dood in de ogen moeten zien. Wat er na overlijden met ons stoffelijk overschot gebeurt wordt meestal ingegeven door religieuze of andere symbolieken die binnen de verschillende culturen een belangrijke rol spelen.

 

In onze Westerse samenleving is het Christendom sterk bepalend voor de symboliek waarop wij onze doden begraven. In het Nieuwe Testament (I Corintiërs 15:20vv) wordt het geloof in opstanding gepredikt. De wijze waarop het lichaam van de overledene werd behandeld en de plaats van teraardebestelling waren grotendeels gebaseerd op deze prediking. Zo werd in 784 onder het bewind van Karel de Grote al een verbod op cremeren afgekondigd. Grafsteen WalburgiskerkCrematie was volgens Karel de Grote in strijdt met de opvatting dat er na de dood een wederopstanding zou plaats hebban waarbij het lichaam zijn aardse gestalte weer zou aannemen. In overeenstemming met de leer konden leden van de christelijke gemeente, begraven worden in of om de kerk. Voor een plekje in de kerk moest een aanzienlijke som geld worden betaald. Het was dan ook alleen voor de rijken weggelegd om zo'n plekje te bemachtigen. De uitdrukking 'daar heb je weer zo'n rijke stinkerd' komt dan ook uit de periode dat de geur van ontbinding in de kerk hing. Afgunstige lieden voor wie een plek in de kerk er niet in zat zullen dit tijdens een dienst hebben gezegd. Voor hen was een plek buiten de kerk.

Als we rondom de Walburgiskerk lopen, kun je in de muren uitgebeitelde nummers zien. Deze nummers gaven de plaats aan van de graven rondom de kerk. De naam van deze plaats achter de kerk waar we deze nummer vinden is uiteraard "Kerkhof". Begraven was toen ter tijd een bron van inkomsten voor de kerk. Zo waren er behalve in en rondom de Walburgiskerk ook begraafplaatsen bij de Broederenkerk en de Nieuwstadskerk. Vanaf midden 15e eeuw werd door de franciscanen-observanten in hun klooster Galilea, ook de mogelijkheid tot begraven geboden. Priesters en religieuze vrouwen in de Agnietenkapel aan de Oude Wand werden eveneens onder de vloer van de kapel begraven.